Blog

Blog

Onze Blogcategorieën:

Fosfaatrechten en externe jongvee-opfok, feitelijk houderschap sterk bepalend!

Donderdag 03 mei 2018

Recent zijn er een tweetal interessante rechterlijke uitspraken geweest in casussen die betrekking hebben op fosfaatrechten en uitbestede jongvee-opfok.

In- en uitscharing
Een melkveehouder (de uitschaarder) schaarde in 2015, 2016 en 2017 steeds in de periode 15 mei tot en met 15 oktober (vijf maanden) jongvee uit aan een andere veehouder (de inschaarder). In het I&R-systeem werden de dieren geregistreerd op het UBN van de inschaarder. In 2015 bedroeg het aantal uitgeschaarde dieren 38 stuks. In het kader van het stelsel van fosfaatrechten vroeg de uitschaarder aan de inschaarder om mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’, welke medewerking de inschaarder weigerde. Daarop stapte de uitschaarder naar de rechter en vorderde de overschrijving van 38 rechten op uiterlijk 28 maart 2018. De inschaarder gaf als verweer aan dat hij de fosfaatrechten nodig had voor zijn eigen bedrijfsvoering, onder meer voor het inscharen van melkvee vanaf 1 januari 2018. De voorzieningenrechter overwoog dat de fosfaatrechten aan de inschaarder waren toegekend omdat de dieren op 2 juli 2015 bij hem waren ingeschaard. Die datum is echter een willekeurig gekozen peildatum, die door partijen niet te voorzien was. Doordat de dieren op dat moment op het UBN van de inschaarder geregistreerd stonden, is het voordeel dat daaraan verbonden was, het toekennen van fosfaatrechten, aan hem toegekomen. Dit echter wel vanuit de daaraan ten grondslag liggende gedachte dat deze dieren bij voortduring op zijn stal stonden dan wel door hem werden geweid. Vast stond echter dat de dieren zeven maanden bij de uitschaarder op stal stonden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het in dit geval redelijk dat de onderhavige fosfaatrechten conform de partijafspraken over de perioden van houderschap, in beginsel in diezelfde verhouding tussen partijen worden verdeeld. De voorzieningenrechter achtte voorts van belang dat de inschaarder ook had meegewerkt aan de indiening van het formulier in het kader van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017. De inschaarder had niet aannemelijk gemaakt dat hij alle aan hem toegekende fosfaatrechten nodig had voor zijn bedrijfsvoering. De inschaarder moest medewerking verlenen aan de overdracht van de fosfaatrechten naar de uitschaarder, voor 7/12 deel van de 38 runderen via het formulier ‘In- en uitscharen’.

Gedurende langere periode opfok van jongvee
Een melkveehouder sloot in maart 2015 een overeenkomst voor het opfokken van jongvee af met een jongvee-opfokker. Het jongvee bleef eigendom van de melkveehouder, maar werd wel via het I&R-systeem op naam geschreven van de opfokker. In februari 2017 zegde de melkveehouder de overeenkomst op, waarna hij begin april 2017 de laatste dieren ophaalde bij de opfokker. De melkveehouder vroeg de opfokker mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ ten einde het aan hem toegekende aantal fosfaatrechten te laten verhogen met de rechten voor de bij de opfokker gestalde dieren op 2 juli 2015. De opfokker weigerde dit. De melkveehouder stuurde het formulier wel in naar RVO.nl, maar zonder de benodigde handtekening van de opfokker. Voor de rechtbank vorderde de melkveehouder dat de voorzieningenrechter de opfokker zou veroordelen het formulier alsnog te ondertekenen. Volgens hem was hij rechthebbende van de dieren en dus ook van de daaruit voortvloeiende rechten. De voorzieningenrechter van Rechtbank Overijssel stelde vast dat het feitelijk houderschap en niet de eigendomssituatie (op 2 juli 2015) doorslaggevend is voor de toekenning van de fosfaatrechten. Dit betekende dat de fosfaatrechten voor het uitgeschaarde vee in beginsel bij de opfokker berusten. De opfokker had niet onrechtmatig gehandeld door geen instemming te geven aan het formulier. Daarbij is redengevend dat het gedurende circa twee jaar opfokken van jongvee verder lijkt te gaan dan alleen het in- en uitscharen van vee, gelet op de duur en intensiteit. Ook hebben opfokkers behoefte aan en recht op fosfaatrechten. Zonder die rechten kan zijn bedrijf niet bestaan. De melkveehouder was ook na afloop van de overeenkomst zijn jongvee niet zelf gaan opfokken, hij had daarvoor een ander gevonden. De melkveehouder had de rechten van de opfokker dan ook niet nodig om zijn bedrijf en de omvang daarvan zoals die was op 2 juli 2015 te borgen. Hij wilde zijn bedrijf met melkvee kunnen uitbreiden. Dit verhoudt zich niet met de doelstelling van de wetgever, namelijk dat de fosfaatproductie niet verder toeneemt, maar juist afneemt. De voorzieningenrechter wees daarom de vordering van de melkveehouder af. Ook was er geen sprake van een ongerechtvaardigde verrijking, zoals de melkveehouder stelde.

Uit bovenstaande rechterlijke uitspraken valt op te maken dat de feiten en omstandigheden waaronder het jongvee is gehouden voor een groot deel bepalend zijn aan wie en voor welk deel de fosfaatrechten toekomen. Het feitelijk houderschap speelt daarbij een belangrijke rol. Waarbij elke situatie op zichzelf beoordeeld zal moeten worden in hoeverre deze aansluiting kan vinden bij bovenstaande casussen.

 

Lees ook: Zakelijke eindejaarskeuzes voor melkveehouders. Bespreek ze met uw adviseur.

Lees ook: Fosfaatrechten? Overleg met uw adviseur om de juiste weg te bewandelen!

Lees ook: Staking melkveebedrijf en fiscale gevolgen

Gerwin Angenendt

Werkzaam sinds 2011 bij vestiging Wanroij

Plaats een reactie

Meld u aan voor de OOvB nieuwsbrief